Observatiehut

Er was een observatiehut, een nazomerdag, een man en een vrouw. Zij keken niet uit naar vogels of ander gespuis. Zij beschouwden lachend en verlegen de liefde. Het was er een die komen zou. Zij keken zonder kijkertje ver weg in de toekomst.

Er was een man die de vrouw vroeg, hoe leg ik het aan? Hoe wil een vrouw dat? En de vrouw vroeg de man hoe zou je, als je durfde, het doen? De hut observeerde hun rollenspel waarvan zij hem deden schuddebuiken en deed er het zwijgen toe.

Er was een man, diezelfde ja, die droomde s’nachts onmiddellijk van zijn overdag gedroomde liefdesleven. Er was dans van zijn gedroomde vrouw en dansen met haar was een eitje, een peulenschil. Er was en is geen verslag van zijn ontwaken, behalve dan klanken van onmetelijke vrijheid.

Heleen van Soest, 18 september 2012

Advertenties