Waaiwapperende Gedachten

De sneeuw in het grote bomenbos was er eerder dan ik. Maar ik was er toen de lente maar niet wilde komen, ik was er zelfs eerder dan de zomer die zolang bleef dat hij me bijna had ingehaald. Ik ben er nu de bomen buigen voor de wind en hun blaadjes laten vallen zodat er niks meer te waaiwapperen valt. Ik zal er nog steeds zijn als de winter komt, ik zal hem begroeten, ik zal in zijn sneeuw lopen, ik zal hem vervloeken als hij een venijnige oostenwind laat waaien.
De beelden van het Haarlemhuis beginnen te vervagen. Ik heb de laatste zeezoute zandkorrels in mijn schoenen naar de Korte Duinen gebracht waar ze de Soester zandkorrels vertellen over Haarlemse muggen, Hannie Schaft en alle verhalen die ik in de Kennemmer duinen heb gevonden.
Wat niet vervaagt, zijn gedachten over de mensen die niet met mij mee wilden reizen toen ik mijn droom aan de voet van bomen te kunnen wonen, achterna ben gegaan. Kunnen zij niet over de schaduw van hun eigen onvervulde dromen heenstappen om met mij van de mijne te genieten? Paste mijn droom niet in hun beeld van mij? Moest ik degene blijven die zij van mij hadden gemaakt, naadloos aansluitend bij hun eigen behoeften?
Buiten leunen de bomen in de wind en buigen nederig voor zijn kracht. Ik buig voor de onverwachte wendingen van het leven en vraag wijsheid om te kunnen aanvaarden wat ik moet aanvaarden. Ik zoek woorden om te vertellen dat ik gelukkig ben terwijl ik verdriet heb, verdrietig ben terwijl ik geluk heb. Woorden om pijn te verbinden met schoonheid, de schoonheid om me heen en binnen in me. Al die woorden leg ik bij het hoopje zandkorrels, misschien dat er eentje de weg terug naar Haarlem kan vinden om te vertellen dat het me goed gaat.
Het gaat me goed.

Marianne Eerdmans, Najaar 2013

Advertenties